Stages of Flowering
Esther Janssen

4 July – 30 August 2026

Press
release

Al di là means you are far above me, very far.” - Connie Francis

(EN) Esther Janssen (1976, The Netherlands) at first glance, seems to meticulously compose handmade landscapes meant to evoke a sense of serenity and tranquility. However, as you become enveloped in the worlds she creates, that feeling morphs into inadequacy. There is something not quite right with the calibration of her worlds. The landscapes in these parallel worlds exist in an equilibrium between idealism and dissociation.

It’s not so much that everything seems too perfect; the overly manicured composition can actually be quite calming and borderline romantic. Even with a distinct lack of people, it’s not humanity that is missing. The traces of the neuross for perfection are more than present. In reality, it’s the awakening of a desire for such uncanny spaces in the first place. It’s within this duality that her work lives, between picturesque mimicry and an uncanniness that never leaves the back of your mind.

Stages of Flowering is housed in Verduyn’s third pavilion, completely populating the ground floor. Taking advantage of its position in the center of the gallery grounds, situated between two lush, distinct gardens, the pavilion windows create a schism between realities. On the outside, you are met with a well-tended garden. While on the inside, you’re presented with many idyllic versions of various gardens.

Front and center are the materiality and distinctive visual language Janssen has developed by working across a variety of painting, relief, and textile-based techniques. She reinforces the artifice of her work by first creating digital compositions that are later made from artificial leather, cut, layered, and hand-sewn onto canvas. Afterwards the leather is hand painted in acrylics, helping her build a dimensionality that remains tactile while still seeming distant. Only by looking closer can you ascertain the scale of the artifices she depicts.

At every corner of the gallery space, you’re met with a variety of distinctive yet somehow very impersonal vistas, making the allure of these compositions all the more unsettling. Janssen manages to create and balance the tension between opposing principles: contemplation and disturbance, romanticism and realism, and certainty and ambiguity.

(NL) Op het eerste gezicht lijken de zorgvuldig geconstrueerde, handgemaakte landschappen van Esther Janssen (1976, Nederland) een gevoel van rust en sereniteit op te roepen. Maar wie zich langer in de werelden die zij creëert begeeft, merkt al snel dat die aanvankelijke kalmte subtiel omslaat in een gevoel van ongemak. Er lijkt iets niet helemaal te kloppen aan de werkelijkheid die zich ontvouwt. Haar landschappen bestaan in een spanningsveld tussen idealisering en vervreemding.

Het is niet zozeer dat alles té perfect oogt; integendeel, de nauwgezet gecomponeerde taferelen hebben juist iets rustgevends en bijna romantisch. En hoewel menselijke figuren volledig afwezig zijn, ontbreekt de menselijke aanwezigheid niet. Overal zijn sporen zichtbaar van een diepgeworteld verlangen naar perfectie. Wat uiteindelijk wringt, is niet de afwezigheid van de mens, maar juist het besef van ons eigen verlangen naar deze merkwaardige, onwerkelijke plekken. Precies in die dubbelzinnigheid ligt de kern van Janssens werk: ergens tussen het idyllische beeld en een blijvend gevoel van vervreemding.

Stages of Flowering neemt de volledige benedenverdieping van het derde paviljoen van Verduyn in beslag. De centrale ligging van het gebouw, ingebed tussen twee weelderige, onderscheidende tuinen, versterkt de dialoog tussen binnen en buiten. Door de openstaande ramen ontstaat een duidelijke scheidslijn tussen verschillende werkelijkheden. Buiten strekt zich een zorgvuldig onderhouden tuin uit; binnen ontvouwen zich talloze geïdealiseerde variaties daarop.

Centraal in de tentoonstelling staan de materialiteit en de uitgesproken beeldtaal die Janssen heeft ontwikkeld door schilderkunst, reliëf- en textieltechnieken met elkaar te verweven. Het artificiële karakter van haar beelden wordt daarbij bewust benadrukt. Elke compositie ontstaat eerst als digitale schets en wordt vervolgens opgebouwd uit kunstleer, dat wordt uitgesneden, gelaagd en met de hand op doek bevestigd. Daarna beschildert zij het oppervlak met acrylverf, waardoor een gelaagde ruimtelijkheid ontstaat die zowel tastbaar als afstandelijk oogt. Pas van dichtbij wordt duidelijk hoe zorgvuldig geconstrueerd deze werelden werkelijk zijn.

Doorheen de tentoonstellingsruimte word je telkens opnieuw geconfronteerd met herkenbare, maar opvallend onpersoonlijke vergezichten, waardoor de aantrekkingskracht van deze composities een subtiel ongemak oproept. Janssen slaagt erin een spanningsveld te creëren en in evenwicht te houden tussen tegengestelde krachten: contemplatie en verstoring, romantiek en realisme, zekerheid en ambiguïteit.