Shadow Work
Renée Pevernagie

23 May – 21 June 2026

Press release

Renée Pevernagie’s (1990, Belgium) practice is firmly rooted in a keen interest and appreciation for the transitory phases of people, buildings, landscapes, and flora. These observations and impressions are distilled into intricate works of varying scales. Deploying a multitude of drawing techniques, using charcoal, pigments and pastels as her primary tools, she embalms the most unassuming moments into everlasting images. Intricately discerning the minute from the grand, she can navigate seamlessly between moods by capturing uncertainty and volatility. By using the mise-en-scène of shadows she uncovers an unassuming beauty, granting a sense of vitality to these unsuspecting moments.

At Verduyn, Renée leads her highly methodical and research-driven work into new figurative and metaphysical depths. Borrowing from Jungian psychological frameworks of the subconscious, she indulges in Shadow Work. The Shadow, or subconscious, is Worked, manifested into the real world. Those two words become the skeleton key from which to decipher the engine of her process. She plays with the recesses of the unnoticed; fragments of thoughts tucked away in the shadows of perception. It is in these conceptions that the strength of her work belies an ephemeral understanding of their momentary existence. Her work comes alive in the shadows of memories, transitions, states of being, and the mundane.

The third pavilion, which houses her work, diverges into two distinctive venues, reworking and simulating her artistic prowess into the upper and ground floor. On the ground floor, her drawings create a harmonious composition between the inside and outside of the gallery. With multiple windows providing plentiful sunlight and a view to the lush green surroundings of the gallery, a palpable tension begins to emerge. Her drawings of flora come in contention with reality, questioning what exactly is being simulated. By placing two versions of similar specimens in comparison, we're being asked to choose between the two. Are the images she has so carefully researched, scraped and etched onto paper even more enticing and alluring than the real thing? In Renée’s works, the stillness of the world will go seemingly on forever. In contrast, a plant will always live, wither, die, and ultimately disappear.

On the floor above, in what used to be the attic of a barn, the skull of the gallery becomes a make-shift library for the research process that fuels her whole artistic process. As a fastidious and deliberate notetaker, Renee documents every phase of her research, creating a linear path towards understanding how a kernel of thought can become one of her artworks. Such is the commitment to the documentation process, that a great variety of notebooks filled with disparate thoughts, detailed analysis, highly technical descriptions of experimentation, and examinations of failures fill the room. In the spirit of “working” our own “shadow”, beyond all the research

material, Jean Painlevé’s The Octopus (1928) — widely considered to be one of the first documentaries ever made — is projected onto a wall. We follow the life of the titular octopus as it crawls, writhes, and swims from one place to the other, ultimately finding itself in the captivity of the filmmaker. The film ends with the death of the octopus. We find ourselves in a similar situation, constantly in motion, blindly mesmerized with the idea of unraveling the subconscious of the artist, captive to the world she has manifested.

De praktijk van Renée Pevernagie (1990, België) is diepgeworteld in een sterke interesse voor en waardering van de vergankelijke fases van mensen, gebouwen, landschappen en flora. Deze observaties en indrukken worden vertaald naar verfijnde werken op uiteenlopende schaal. Met een veelheid aan tekentechnieken, waarbij houtskool, pigmenten en pastellen haar voornaamste instrumenten vormen, balsemt zij de meest onopvallende momenten tot blijvende beelden. Met een fijngevoelige aandacht voor zowel het kleine als het grootse beweegt zij moeiteloos tussen verschillende stemmingen door onzekerheid en vergankelijkheid vast te leggen. Door gebruik te maken van de mise-en-scène van schaduwen onthult zij een ingetogen schoonheid, waardoor deze onverwachte momenten een gevoel van vitaliteit krijgen.

Bij Verduyn brengt Renée Pevernagie haar uiterst methodische en onderzoeksgerichte praktijk naar nieuwe figuratieve en metafysische dieptes. Geïnspireerd door Jungiaanse psychologische kaders rond het onderbewuste verdiept zij zich in Shadow Work. De Shadow, of het onderbewuste, wordt Worked, gemanifesteerd in de echte wereld. Die twee woorden vormen de loper waarmee de motor van haar proces kan worden ontcijferd. Ze speelt met de uithoeken van het onopgemerkte; fragmenten van gedachten verscholen in de schaduwen van de waarneming. In deze concepten schuilt de kracht van haar werk, gedragen door een vluchtig besef van hun tijdelijke bestaan. Haar werk komt tot leven in de schaduwen van herinneringen, overgangen, gemoedstoestanden en het alledaagse.

Het derde paviljoen, waarin haar werk wordt ondergebracht, splitst zich op in twee onderscheiden ruimtes waarin haar artistieke kunde opnieuw wordt vormgegeven en gesimuleerd, zowel op de benedenverdieping als op de bovenverdieping. Op het gelijkvloers creëren haar tekeningen een harmonieuze compositie tussen het interieur en exterieur van de galerij. Dankzij de vele ramen, die overvloedig zonlicht binnenlaten en uitzicht bieden op het weelderige groene landschap rondom de galerij, ontstaat er een tastbare spanning. Haar tekeningen van flora gaan een confrontatie aan met de werkelijkheid en stellen de vraag wat precies gesimuleerd wordt. Door twee versies van gelijkaardige specimenen naast elkaar te plaatsen, worden we uitgenodigd om tussen beide te kiezen. Zijn de beelden die zij zo zorgvuldig heeft onderzocht, geschraapt en in papier geëtst misschien nog verleidelijker en aantrekkelijker dan het echte? In de werken van Renée lijkt de verstilling van de wereld eindeloos voort te duren. Daartegenover staat dat een bloem altijd zal leven, verwelken, sterven en uiteindelijk verdwijnen.

Op de verdieping erboven, in wat ooit de zolder van een schuur was, wordt de schedel van de galerij omgevormd tot een geïmproviseerde bibliotheek voor het onderzoeksproces dat haar volledige artistieke praktijk voedt. Als nauwgezette en bedachtzame notulist documenteert Renée elke fase van haar onderzoek en creëert zij een lineair traject dat inzicht biedt in hoe een kern van een gedachte kan uitgroeien tot een van haar kunstwerken. Haar toewijding aan het

documentatieproces is zo groot dat de ruimte gevuld wordt met een grote verscheidenheid aan notitieboeken, vol uiteenlopende gedachten, gedetailleerde analyses, hoogtechnische beschrijvingen van experimenten en reflecties op mislukkingen.

In de geest van het “bewerken” van onze eigen “schaduw” wordt, voorbij al het onderzoeksmateriaal, The Octopus (1928) van Jean Painlevé — beschouwd als een van de eerste documentaires ooit gemaakt — geprojecteerd op een muur. We volgen het leven van de gelijknamige octopus terwijl hij kruipt, kronkelt en zwemt van de ene plaats naar de andere, om uiteindelijk gevangen te raken door de filmmaker. De film eindigt met de dood van de octopus. Op gelijkaardige wijze bevinden ook wij ons in een voortdurende beweging, blind gefascineerd door het idee het onderbewuste van de kunstenaar te ontrafelen, gevangen in de wereld die zij heeft gemanifesteerd.